Economische waarde als uitgangspunt Er bestaat geen twijfel over dat waardebepaling in ieder geval op basis van ‘economische grondslagen’ moet gebeuren. Het ijkpunt van de waardebepaling is daarbij van groot belang. Immers vanaf dat moment kan waarde slechts aan de verwachte geldstromen worden ontleend. Dit betekent dat aan de omzet- en winstontwikkeling uit het verleden als zodanig geen waarde wordt toegekend.
Lees meer
Gerealiseerde winst is namelijk geen geld en zegt niets over de toekomstverwachting. Toch is het verleden van belang bij het beoordelen van het realiteitsgehalte van de verwachtingen.
In het algemeen moet worden vastgesteld dat voorspellingen niet precies uitkomen. Kansverdelingen bij verwachtingen geven een beeld van de ondernemingsrisico’s waarmee rekening moet worden gehouden. Naast de verwachting is dit risico van invloed op de te bepalen waarde. In beginsel is een ‘economische’ waarde dus bepaald door:
De verwachte cashflows (geldstromen);
het tijdstip van de verwachte geldstromen;
het risico eraan verbonden.
Een waarderingsuitkomst gebaseerd op een vuistregel als bijvoorbeeld 6 keer de winst voldoet duidelijk niet aan deze vereisten. Om te beginnen zou het toeval zijn indien de winst gelijk is aan de verwachte geldstromen voor de komende jaren en bovendien is het bij het gebruik van een vuistregel als deze, onduidelijk welke de groeiverwachtingen zijn en de risico-inschatting, waarmee men heeft rekening gehouden.
In een gedegen deskundigenrapport zal duidelijk zijn dàt en “op welke wijze” met elementen is gerekend. In (varianten van) de discounted cash flow methode (DCF) zijn de elementen “tijd”, “geld” en “risico” in ieder geval vervat. Deze methode verdient daarom in het algemeen de voorkeur. Dit inzicht vindt ook in de dagelijkse praktijk meer en meer ingang.
Business valuation: een specialisme Met betrekking tot waardebepaling heeft zich in Nederland vooral vanaf 1995 een interessante ontwikkeling voorgedaan. Er heeft zich een specialistische beroepsgroep gevormd van register valuators. Dat heeft er zeker mede toe bijgedragen dat naar waardebepaling kritischer wordt gekeken dan in de jaren daaraan voorafgaand. Jurisprudentie heeft zich ontwikkeld en bepaalde methoden van waardebepaling zijn voor rechters aanvaardbaar gemaakt en andere minder aanvaardbaar.
Lees meer
Het maatschappelijk verkeer is inmiddels ook anders gaan aankijken tegen het gebruik van bepaalde rekenmethoden. Toch zie je ook in de praktijk nog steeds toepassingen die veeleer op traditie wijzen dan op deskundigheid. Het gebruik van bepaalde vuistregels wordt van geval tot geval met aplomb maar zonder veel argumentatie verdedigd. Het lijkt daarom een goed moment om voor de niet-specialistische deskundigen en andere belanghebbenden een aantal waarderingsmethoden tegen het licht te houden. Mythe en folklore in waardebepaling krijgen zo hun plaats. Discussies kunnen voortaan op grond van argumenten worden gevoerd. Misverstand kan worden vermeden. Daarmee zijn grote belangen gediend. Prijzen krijgen een steviger grondslag in waarde. Conflicten kunnen op beargumenteerde wijze worden beslecht.
Voorbeeld Vuistregel: 0,7 tot 1,3 * de jaaromzet
Bij de overnamecontext van een accountantskantoor werd als vuistregels voor waardebepaling de volgende formule gehanteerd: 0,7 tot 1,3 * de jaaromzet. Nu is het ene bijna 2 keer zoveel als het andere. Dus je zit nogal eens goed. De vuistregel zegt niet in welk geval het 0,7 zal zijn of 1,3. Dus dat is ook eenvoudig: altijd prijs, lijkt het wel. Maar het is de omgekeerde wereld. Bij Wingman stellen we eerst de waarde vast .
Dan kunnen we daarop aansluitend – indien wenselijk - nog even berekenen tot welke factor de gevonden waarde in het onderzochte geval leidt. De uitkomst zou best hoger of lager kunnen liggen dan de waarden van het vuistregel-interval. We hebben recent een rapport van onze opmerkingen mogen voorzien dat op deze vuistregel was gebaseerd. Terwijl dat rapport een bovengemiddeld renderend accountantskantoor bleek te betreffen, bleek daar de vuistregel in de hoogte te zijn beperkt tot maximaal 1,2 * de jaaromzet. Laten we beginnen te zeggen dat de vuistregel berust op een onbekende steekproef die niet representatief hoeft te zijn voor het onderzochte bureau.
Daarnaast heeft de vuistregel betrekking op prijs en niet op waarde. En zoals al opgemerkt: een keuze binnen het zeer brede interval wordt in hoge mate intuïtief bepaald. In het ons voorgelegde geval bleek het om de waarde van de goodwill te gaan. Is dan de intrinsieke waarde gelijk aan het vreemd vermogen? Ik zou er niet op vertrouwen.